Begin maart, kort voor Internationale Vrouwendag, ontving Gideon Lotan (1936) het bericht dat zijn Nederlandse moeder Shoshanna door Bne Brit International is erkend als Joodse redder.
Gideon: ,,Mijn ouders, Manfred Litten en Jansje Serlui, hebben elkaar in de jaren dertig van de vorig eeuw door het Joodse jeugdwerk leren kennen. Ze waren idealistisch en zo enorm toegewijd dat ze in 1938 besloten om, in plaats van naar Palestina te gaan, de leiding op zich te nemen van de Catharinahoeve in Gouda. Dat was een boerderij in het hart van Holland, van alle kanten omringd door sloten, waar Joodse jongeren voor hun alija werden opgeleid in de tuinbouw. Bang voor vervolging waren ze niet. Ze dachten, net als veel andere Joden, dat Nederland in geval van oorlog neutraal zou blijven, net als in de Eerste Wereldoorlog.
,,Ik heb goeie herinneringen aan die periode. Op de boerderij hing een fijne sfeer van verdraagzaamheid en solidariteit. En als kind van de leiders en het enige kleine jongetje in een omgeving van ouderen werd ik behoorlijk verwend. In de ochtenduren waren we buiten bezig en ‘s middags doceerde mijn vader Joodse vakken. De kaart van Erets Jisrael die hij daarbij gebruikte, maakt veel indruk op me. Ik wist als klein kind al dat ik daarheen moest.’’
,,Nadat de Duitsers Nederland binnenvielen, konden de werkzaamheden op de Joodse jeugdhoeve nog relatief lang worden voorgezet. We leverden immers allerlei onmisbare landbouwprodukten voor de markt. Maar toen de razzias systematischer en frequenter werden en de risiko’s groter, is de groep uit elkaar gegaan.
,,Mijn moeder heeft kennelijk al in 1941 contact gezocht met de Westerweelgroep, de bekende verzetsgroep die samenwerkte met chaloetsiem uit Loosdrecht, en met het verzet in Gouda. Ze weigerde om met de Duitsers mee te werken en degenen onder haar zorg als vee naar het slachthuis te begeleiden. Ze verzorgde valse papieren en heeft voor bijna alle pupillen een onderduikadres kunnen regelen.
,,Van de 27 bewoners van de boerderij hebben uiteindelijk 18 de oorlog overleefd. Mijn ouders zelf zijn vermoord. Ze doken apart onder en hebben mij op weer een ander adres ondergebracht, waar mijn moeder me aanvankelijk wel eens kwam bezoeken. Mijn vader is op zijn onderduikadres opgepakt, en mijn moeder, die ook vanuit de onderduik voor de ondergrondse actief bleef, is als gevolg van verraad in juni ‘44 bij een controle op het station in Utrecht opgepakt. Via Westerbork zijn ze als strafgevallen naar Auschwitz gedeporteerd. Mijn moeder is op de dodenmars omgekomen.
,,Jad Wasjeem is begin jaren zestig begonnen met het onderscheiden van niet-Joden die hun leven hebben geriskeerd om Joden te redden, de zgn. Rechtvaardigen onder de Naties. Joodse redders komen daarvoor niet in aanmerking. Joden, aldus Jad Wasjeem, zijn verplicht om andere Joden te helpen. Dat standpunt is altijd omstreden geweest, maar pas een jaar of twintig jaar geleden is een commissie met onder andere de Nederlandse overlevenden Chana Arnon, Chaim Roet z.l. en Esther Reiss-Mossel z.l. zich actief gaan inzetten voor de erkenning van Joodse redders. Sommige van hen zijn zelf mede dankzij Joden gered. Ze vonden een partner in de Bne Brit International, die sinds 2011 op Jom Hasjoa in Jaar HaKodasjiem een eigen ceremonie houdt en inmiddels tegen de 500 Joodse redders heeft erkend.
Toen ik een jaar geleden over het bestaan van deze commissie hoorde, ben ik meteen aan de slag en het verzamelen gegaan om mijn moeder te kunnen voordragen. Net als bij Jad Wasjeem moet de redder aan diverse criteria voldoen en moet je als aanvrager ontzettend veel materiaal aanleveren. Na zoveel jaar zijn er natuurlijk niet veel mensen die nog mondeling kunnen getuigen, maar in het geval van mijn moeder bestaan er gelukkig een aantal schriftelijke getuigenissen. Berrie Asscher bijvoorbeeld, die als pionier in opleiding een paar jaar op de boerderij meedraaide, noemt haar in zijn boek, en Evelien Gans beschrijft haar activiteiten in het boek over Jaap en Ischa Meijer en definieert Jansje/Shoshanna als ‘een vrouw van formaat’.
,,Tot mijn grote vreugde is mijn moeder begin maart erkend. Hoe dan ook groeit, en terecht, hier de belangstelling voor Joden die zich op wat voor manier dan ook tegen de nazi’s hebben verzet. Weinig mensen kennen het, maar in Latrun is een museum geopend voor Joodse strijders tijdens de Tweede Wereldoorlog. Weet je dat anderhalf miljoen Joden met de geallieerde troepen meevochten tegen de nazi’s? In het museum proberen ze zoveel mogelijk namen van soldaten te verzamelen. Tevens worden er Joodse verzetsmensen geёerd. Mijn moeder werd al vermeld als Joodse redder, maar nu heb ik haar biografie uitgebreid en de onderscheiding kunnen toevoegen.’’
Op 24 april, op de Jom Hasjoa-herdenking van het Elah Centrum in museum ANU in Tel Aviv, steekt Gideon Lotan een kaars aan namens de eerste generatie.
